Traditie



Traditieloosheid is trouweloosheid.
Trouweloos kunt ge óók zijn door al te star vasthouden aan tradities, want er is een onmiskenbare hiërarchie, ook in rechten en plichten.
Het voorgeslacht leeft in ons voort. Individueel zijn de vaderen uit onze gezichtskring verdwenen, maar hun werk en hun geest zijn tastbaar onder ons blijven leven. Bijna alles wat wij, in de natuurlijke orde, het ónze noemen en tot onze beschikking hebben, álles (behoudens het heel kleine beetje van ons eigen maaksel… en dan nog!!) kregen wij, namen wij over van onze ouders, grootouders, vorige geslachten en gemeenschappen. En om wat díe ons hebben overgeleverd, geestelijk en stoffelijk, zijn wij hun blijvend dankbaarheid verschuldigd, liefdevolle piëteit, verknochte trouw.
Zonder hen waren wij zelf niet. Zonder hun geest, zonder hun overgeleverde woorden en werken van wijsheid, bleef ons weinig meer dan barbaarsheid.
Dit te loochenen in theorie zou krankzinnigheid zijn, dit te loochenen in practijk is laaghartigheid. Daarom zijn eerbied, trouw en dankbaarheid jegens het voorgeslacht dwingende plichten – maar niet onze énige plichten!
Wij hebben ook plichten ten opzichte van het nageslacht, van onszelf. Edel is het, en tot op zekere hoogte noodzakelijk, zich offers op te leggen omwille van het voorgeslacht. Doch niet buiten verhouding. De mens moet léven. De tradities trouw blijven, maar… léven. Zijn eigenste leven mag hij niet om tradities verloochenen.

Uit H. van Gelre, ‘Onze rol spelen. Bloemlezing uit het werk van Wouter Lutkie pr.’, Nuland: Uitgeverij Soli-Deo, 1962.

Dit bericht werd geplaatst in boek, gezond verstand en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.